Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 5 april 2012, nr. 11/00596, betreffende beschikkingen op verzoeken om terugbetaling van douanerechten.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende, een beroepsaangever, deed tussen 2003 en 2005 invoeraangiften voor self inflatable matrassen in opdracht van een importeur. De douane legde navorderingen op wegens onjuiste tariefindeling, maar belanghebbende stelde dat eerdere terugbetalingen en controles bij de importeur gewettigd vertrouwen schepten waardoor navordering niet mogelijk is volgens artikel 220 lid 2 sub b van Pro het Communautair Douanewetboek (CDW).
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat geen sprake was van een vergissing van de douane die navordering in de weg staat. De Hoge Raad stelt dat het Hof onjuist heeft geoordeeld dat alleen actieve gedragingen van de douane bij de beroepsaangever zelf gewettigd vertrouwen kunnen scheppen. Ook een controle bij de importeur waar de beroepsaangever in opdracht van handelt, kan daartoe leiden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere behandeling.