Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Den Haagvan 29 maart 2013, nr. BK-12/00190, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.
Hoge Raad
Belanghebbende, een advocaat, kreeg over het jaar 2009 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd vanwege ontvangen bijdragen van de raad voor rechtsbijstand voor verleende rechtsbijstand. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank en het hof, die de naheffingsaanslag bevestigden, stelde belanghebbende cassatie in bij de Hoge Raad.
De kernvraag was of deze bijdragen als belastbare vergoedingen in de zin van artikel 8 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 73 van Pro de BTW-richtlijn 2006 moeten worden beschouwd. De Hoge Raad bevestigde dat de bijdragen een tegenprestatie vormen voor de door de advocaat verleende rechtskundige bijstand aan rechtzoekenden, ook al betaalt een derde (de raad voor rechtsbijstand) de vergoeding.
De Hoge Raad verwijst naar het arrest Le Rayon d’Or van het Hof van Justitie van de EU, dat bevestigt dat het betalen door een derde niet uitsluit dat sprake is van een belastbare dienst. De klachten van belanghebbende faalden en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat advocaten omzetbelasting verschuldigd zijn over de ontvangen bijdragen van de raad voor rechtsbijstand.