Uitspraak
[X]te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 6 september 2012, nrs. 11/00593 en 11/00594, betreffende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende, een ondernemer in kunsthandel, maakte gebruik van de globalisatieregeling voor de berekening van de omzetbelasting. Ultimo 2005 vormde hij een voorziening op de balans voor toekomstige verschuldigde omzetbelasting, gebaseerd op het verschil tussen toepassing van de margeregeling en de globalisatieregeling over tien jaar.
De Inspecteur stelde dat deze voorziening ten onrechte was gevormd en moest worden toegevoegd aan het inkomen. De Rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond, met het oordeel dat het voordeel van de globalisatieregeling tot de winst van het jaar behoort en het niet is toegestaan een voorziening te vormen voor toekomstige omzetbelasting.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Het arrest benadrukt dat bij de globalisatieregeling het verband met de voorraad niet relevant is en dat het vormen van een voorziening voor toekomstige omzetbelasting niet strookt met goed koopmansgebruik.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard; het is niet toegestaan een voorziening te vormen voor toekomstige omzetbelasting bij toepassing van de globalisatieregeling.