Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 oktober 2013, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage werd behandeld betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2003.
De Hoge Raad heeft het middel van belanghebbende in het principale beroep beoordeeld en geoordeeld dat dit middel niet tot cassatie kan leiden. Dit oordeel werd genomen op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Ook het middel van de Staatssecretaris van Financiën in het incidentele beroep werd op dezelfde gronden verworpen. De Hoge Raad achtte geen reden aanwezig om proceskosten toe te wijzen.
De Hoge Raad verklaarde beide beroepen in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit op 25 april 2014.