ECLI:NL:HR:2013:BZ8856

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13/00621
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 352 FwArt. 354 FwArt. 358 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei

In deze zaak betrof het een verzoekster die cassatie instelde tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling zonder toekenning van een schone lei. De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof en behandelde het cassatieberoep op basis van art. 80a lid 1 RO.

De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard, omdat verzoekster onvoldoende belang had bij het beroep of omdat de ingestelde klachten niet tot cassatie konden leiden. Verzoeksters advocaat reageerde hierop, maar de Hoge Raad volgde het standpunt van de Procureur-Generaal.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee bevestigde de Hoge Raad de beslissing van het gerechtshof en maakte een inhoudelijke beoordeling van de zaak overbodig.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2013.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

26 april 2013
Eerste Kamer
13/00621
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer 09/552 R van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 oktober 2012;
b. het arrest in de zaak 200.115.332/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 januari 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 27 maart 2013 op dat standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2.3).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 26 april 2013.