ECLI:NL:HR:2013:BZ7836
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- E.N. Punt
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over tariefindeling van sondevoeding onder GN-posten 2202 en 3004
Belanghebbende verzocht de Inspecteur om bindende tariefinlichtingen voor vijf soorten sondevoeding, die aanvankelijk werden ingedeeld onder post 2202 90 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN). Na bezwaar en beroep bevestigden rechtbank en hof deze indeling, waarbij het hof oordeelde dat de producten niet als geneesmiddelen onder post 3004 konden worden ingedeeld vanwege het ontbreken van nauwkeurig omschreven therapeutische kenmerken.
De Hoge Raad onderzoekt in cassatie of het hof terecht heeft geoordeeld dat de producten niet onder post 3004 vallen, ondanks dat zij uitsluitend onder medisch toezicht enteraal worden toegediend ter bestrijding van ziektegerelateerde ondervoeding. Tevens wordt de vraag gesteld of de producten als 'dranken' in de zin van post 2202 kunnen worden aangemerkt, aangezien zij niet via de mond worden ingenomen maar via een maagsonde.
Gezien de complexiteit en de Europese regelgeving omtrent de tariefindeling legt de Hoge Raad prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om duidelijkheid te verkrijgen over de uitleg van de relevante GN-posten en het begrip geneesmiddel versus drank. De procedure wordt aangehouden totdat het Hof van Justitie uitspraak doet.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de tariefindeling van sondevoeding.