ECLI:NL:HR:2013:BZ5359

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/01653
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering uitkering verzekering binnenvaartschip wegens niet-naleving veiligheidsvoorschriften

In deze zaak stond de weigering van een verzekeraar om een uitkering te doen op grond van een cascoverzekering voor een binnenvaartschip centraal. De verzekeraar stelde dat de schade verband hield met het niet naleven van de veiligheidsvoorschriften zoals opgenomen in het Reglement Cascoverzekering Binnenvaart.

Eiseressen, waaronder een coöperatieve bank en een schepenonderlinge, hadden beroep ingesteld tegen eerdere vonnissen van de rechtbank Rotterdam en een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad verwijst naar deze eerdere uitspraken en de stukken die aan het arrest zijn gehecht.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van het cassatieberoep niet leiden tot cassatie en dat er geen aanleiding is tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep komt daardoor niet aan de orde.

De Hoge Raad verwerpt het principale cassatieberoep en veroordeelt eiseressen in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee wordt de weigering van de verzekeraar om uit te keren bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de weigering van de verzekeraar om uit te keren.

Uitspraak

7 juni 2013
Eerste Kamer
12/01653
EE/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. COÖPERATIEVE RABOBANK MERWESTROOM U.A.,
gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.W. Scheltema,
t e g e n
SCHEPEN ONDERLINGE NEDERLAND U.A.,
gevestigd te Groningen,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. P.A. Fruytier.
Eiseressen tot cassatie zullen hierna worden aangeduid als [eiseres] c.s. Verweerster in cassatie zal hierna worden aangeduid als SON.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 278925/HA ZA 07-503 van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2008 en 26 mei 2010;
b. het arrest in de zaak 200.070.200/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 20 december 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiseres] c.s. beroep in cassatie ingesteld. SON heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het principale beroep.
De advocaat van [eiseres] c.s. heeft bij brief van 28 maart 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SON begroot op € 6.118,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 7 juni 2013.