ECLI:NL:HR:2013:BZ1540
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in cassatieberoep wegens niet-indienen middelen
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte heeft echter geen middelen van cassatie ingediend binnen de bij wet gestelde termijn, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad W.A.M. van Schendel als voorzitter, samen met raadsheren W.F. Groos en Y. Buruma, en uitgesproken op 19 februari 2013. De uitspraak bevestigt het belang van de formele vereisten voor het indienen van cassatiemiddelen.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet-indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.