ECLI:NL:HR:2013:BX4584
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering bij hoofdelijk ontnemingsvordering
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het gehele bedrag dat hij en zijn mededader gezamenlijk hadden verkregen.
De Hoge Raad overweegt dat sinds 1 juli 2011 art. 36e, zevende lid Sr is toegevoegd, waardoor de rechter kan bepalen dat meerdere personen hoofdelijk of voor een bepaald deel aansprakelijk zijn voor de betalingsverplichting. Voor die datum moest worden vastgesteld welk deel van het voordeel daadwerkelijk door de betrokkene was genoten. Het hof had dit moeten motiveren, maar dat ontbrak.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling op basis van het bestaande hoger beroep. De Hoge Raad benadrukt dat de betalingsverplichting niet zonder meer kan worden opgelegd voor het volledige gezamenlijke bedrag zonder vaststelling van het individuele genoten deel.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.