Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
8 oktober 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op zijn pluimveebedrijf meer kippen hield dan het toegestane aantal pluimveereenheden, zonder over de benodigde pluimveerechten te beschikken. De overtreding is vastgesteld door ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst op basis van veesaldokaarten en gegevens van de Dienst Regelingen. Verdachte verklaarde jarenlang brieven van de overheid ongeopend te hebben gelaten en geen melding te hebben gedaan van de referentiehoeveelheid meststoffen, waardoor hij geen pluimveerechten kon claimen.
Het hof had geoordeeld dat de Meststoffenwet niet buiten toepassing kon worden gelaten, ondanks het beroep van verdachte op artikel 1, tweede lid, van het Eerste Protocol bij het EVRM, dat bescherming biedt tegen disproportionele inbreuken op eigendomsrechten. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat een dergelijke individuele en buitensporige last niet aanwezig is wanneer de nalatigheid bij de betrokkene zelf ligt.
De Hoge Raad benadrukt dat de Meststoffenwet en het stelsel van pluimveerechten rechtmatig zijn en dat de overheid deze regelgeving met strafrechtelijke handhaving mag effectueren. Het beroep op schending van het recht op ongestoord genot van eigendom wordt verworpen omdat de gevolgen voortvloeien uit de nalatigheid van verdachte en niet uit de wet zelf. Het cassatieberoep wordt dan ook verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafrechtelijke veroordeling wegens overtreding van de Meststoffenwet.