ECLI:NL:HR:2013:890

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2013
Publicatiedatum
8 oktober 2013
Zaaknummer
11/01500
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vervoer gevaarlijke stoffenVoorschrift 7.2.4.25.5 ADNRVoorschrift 3.2 Tabel C ADNR
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering opzet in vervoer gevaarlijke stoffen

Op 28 juli 2008 werd verdachte betrapt op het opzettelijk overtreden van voorschriften uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen door een tankduwbak te beladen met benzine zonder het gasmengsel via een leiding naar de wal af te voeren, wat volgens ADNR-regels verplicht was.

Het hof verklaarde verdachte schuldig op basis van verklaringen van opsporingsambtenaren, het proces-verbaal en de vaststelling dat verdachte toezicht hield op de belading en bewust de kans aanvaardde dat het gasterugvoersysteem niet gesloten was. De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat het opzet van verdachte bewezen was.

De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring omtrent het opzet onvoldoende met redenen was omkleed en daarom niet aan de wettelijke eisen voldeed. Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.

De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering van het opzet in strafzaken, zeker bij economische delicten met technische regelgeving zoals het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van het opzet.

Uitspraak

8 oktober 2013
Strafkamer
nr. S 11/01500 E
IF/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 11 maart 2011, nummer 22/005022-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

1.Geding in cassatie

1.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J. van Dam, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
1.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 25 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:3, geoordeeld dat het eerste middel niet tot cassatie kan leiden en dat de Advocaat-Generaal in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich uit te laten over de overige middelen.
1.3.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 28 juli 2008 te Rotterdam, opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, met name heeft hij toen aldaar (ten behoeve van vervoer) een vervoermiddel, te weten de in de 2e Petroleumhaven afgemeerd liggende tankduwbak, (type N.2.2), genaamd "[A]", met benzine (klasse 3, UN 1203) beladen, althans doen en/of laten beladen, terwijl het navolgende voorschrift van bijlage 1 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (ADNR) niet in acht werd genomen, immers werd in strijd met voorschrift 7.2.4.25.5 van het ADNR de bij het laden naar buiten tredende gasmengsels niet via een leiding naar de wal afgevoerd, terwijl dit ingevolge voorschrift 3.2 Tabel C, kolom 7 werd vereist, aangezien genoemde gasmengsels, via de onderzijde van de tankdeksels van de tank 3 aan bakboordzijde en tanks 1 en 3 en 5 en 7 aan stuurboordzijde, naar buiten traden en de vrije atmosfeer instroomden."
2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het proces-verbaal van overtreding d.d. 22 augustus 2008 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nummer 2008257872-1, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
Als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Op 28 juli 2008 surveilleerden wij op de kade van olieraffinaderij Shell, gelegen aan de 2e Petroleumhaven te Rotterdam. Wij zagen aldaar dat aan laadplaats 4 van de Shell een tankduwbak lag gemeerd, genaamd: [A], scheepsnummer [0001], van het type N.2.2. Deze tankduwbak vormde samen met de duwboot [B] een duwstel. Wij zagen verder dat de tankduwbak [A] middels een laad- c.q. losleiding was verbonden met de walinstallatie van de Shell. Tevens zagen wij, dat de gasterugvoerleiding van de wal gemonteerd was op de gasverzamelleiding van de [A]. Vervolgens zagen wij dat de [A] een blauwe kegel als sein voerde zoals omschreven in voorschriftnummer 7.2.5.0.1 van het VBG/ADNR. Tevens zagen wij dat een man, vermoedelijk een opvarende, aan dek bezig was. Wij zagen dat deze man af en toe aan een afsluiter draaide. Vermoedelijk werd de [A] beladen met een gevaarlijke stof. Wij gingen vervolgens op grond van de Wet op de economische delicten ter opsporing aan boord van genoemd schip. De aanwijzing bestaat dat de regelgeving krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen over het water in het havengebied van Rotterdam niet voldoende wordt nageleefd. Aan dek van de [A] spraken wij een man, die ons verklaarde de stuurman te zijn. Verder verklaarde hij dat de [A] beladen werd met 2050 ton benzine, zijnde een brandbare vloeistof van de klasse 3, classificatiecode F1, verpakkingsgroep II en voorzien van het stofnummer UN 1202. Wij merken hierbij op dat voor deze lading benzine blijkens kolom 7 van tabel C van de lijst van gevaarlijke goederen in tankschepen van het VBG/ADNR een gesloten schip wordt vereist. Kolom 7 geeft bij de uitvoering van de ladingtank het nummer: 2. In de toelichting op Tabel C (voorschriftnummer 3.2.3) staat onder kolom 7 achter 2: ladingtank, gesloten. Dit betekent dat de bij het laden naar buiten tredende gas/luchtmengsels via een leiding naar de wal worden afgevoerd (via de gasterugvoerleiding). Aan dek van de [A] roken wij verbalisanten een sterkte benzinelucht. Wij hoorden en voelden dat via de onderzijde van de tankdeksels van de tank 3 aan bakboordzijde en de tanks 1, 3, 5 en 7 aan stuurboordzijde de bij het laden ontstane gassen naar buiten traden en de vrije atmosfeer instroomden. Deze gassen werden hierdoor niet via de gasterugvoerleiding naar de wal afgevoerd. Nadat de stuurman de knevels van genoemde deksels had aangedraaid, hoorden en voelden wij dat het naar buiten treden van deze gassen ophield. Vervolgens gingen wij naar de duwboot [B] en spraken aldaar een man, die ons verklaarde de schipper te zijn. Hij gaf ons op te zijn genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats], [a-straat 1].
Als verklaring van de verdachte:
Ik ben schipper van de duweenheid, bestaand uit de duwboot [B] en de daaraan gekoppelde tankduwbak [A]. Momenteel wordt de [A] beladen met 2050 ton benzine.
2. Het aanvullend proces-verbaal d.d. 24 maart 2009 van de Politie Rotterdam-Rijnmond met nummer 2008257872-2, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Abusievelijk hebben wij verbalisanten in het proces-verbaal voorzien van het nummer 2008257872-1 vermeld het stofnummer UN 1202. De juiste vermelding moet echter zijn stofnummer UN 1203."
2.3.
Het Hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:
"Anders dan de raadsman acht het hof, gelet op de verklaring van de verdachte, bewezen dat deze vanaf de aan de [A] gekoppelde [B] toezicht hield op de belading met benzine. Door controle op de deksels na te laten heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het gasterugvoersysteem niet gesloten was."

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring wat betreft het opzet van de verdachte onvoldoende met redenen is omkleed.
3.2.
Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte de daarin omschreven handelingen opzettelijk heeft verricht, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.3.
De klacht is gegrond.

4.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde en het vierde middel geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, Economische Kamer, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op
8 oktober 2013.