Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
4 oktober 2013.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoekster primair verzocht aan schuldeiser Obvion N.V. te bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling op grond van artikel 287a lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Subsidiair heeft zij verzocht te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het primaire verzoek toegewezen, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dit primaire verzoek afgewezen en het subsidiaire verzoek toegewezen.
Verzoekster heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof, met name gericht tegen de afwijzing van het primaire verzoek. Obvion heeft betoogd dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar cassatieberoep. De Advocaat-Generaal heeft eveneens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid.
De Hoge Raad overweegt dat tegen de afwijzing van het verzoek op grond van artikel 287a lid 1 Fw geen rechtsmiddel openstaat, zoals reeds eerder bevestigd in HR 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0966). Daarom moet verzoekster in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk worden verklaard. Het arrest is gewezen door de raadheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Drion en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Loth op 4 oktober 2013.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen de afwijzing van haar verzoek aan schuldeiser tot instemming met schuldregeling.