Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen en boeten opgelegd over de jaren 1990 tot en met 2000 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en vermogensbelasting (VB). Het hof had deze aanslagen en boeten deels verminderd en deels kwijtgescholden, maar bepaalde dat voor de jaren 1992-1996 sprake was van een beboetbaar feit op basis van een bewijsvermoeden.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën gingen in cassatie tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte het bewijs van een beboetbaar feit voor de jaren 1997-2000 (IB/PVV) en 1994-2000 (VB) niet juist had beoordeeld en dat het arrest daarom vernietigd moest worden voor die jaren. Voor de jaren 1990-1992 (IB/PVV) en 1991-1993 (VB) bleef de volledige kwijtschelding gehandhaafd.
De zaak is verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de motieven van de Hoge Raad. Tevens is de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en moet de Staat het griffierecht vergoeden.