Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het achtste middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
10 september 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin een gevangenisstraf van 21 maanden werd opgelegd. De Hoge Raad beoordeelt onder meer de toepassing van de Promiswerkwijze en de aanvulling met bewijsmiddelen volgens artikel 365a Sv, waarbij wordt bevestigd dat het hof de bewezenverklaring steunde op de bewijsmiddelen in samenhang met de feiten en omstandigheden uit het arrest.
Een belangrijk onderdeel van de beoordeling betreft de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad stelt vast dat de termijn in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden, en dat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Gelet op deze overschrijding vermindert de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf van 21 maanden naar 19 maanden. De overige middelen van cassatie worden verworpen omdat zij geen voldoende belang of rechtsvragen van belang voor rechtseenheid opleveren.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting binnen de aangepaste straf.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 21 naar 19 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.