Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
2 juli 2013.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn schriftuur houdende middelen van cassatie door een raadsman ingediend, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat het ontbreken van de middelen van cassatie betekent dat het beroep niet kan worden ontvangen.
De Hoge Raad verklaart daarom de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep en wijst het beroep af. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.