Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Hertogenboschvan 19 juli 2012, nr. 11/630, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende, een inwoner van Canada, verkocht in 2005 een perceel in Nederland met aanzienlijke winst. De Inspecteur kwalificeerde deze winst als resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland en belastte deze overeenkomstig. De Rechtbank en het Gerechtshof bevestigden deze kwalificatie, waarbij het Hof oordeelde dat de werkzaamheden die de meerwaarde veroorzaakten in Nederland waren verricht, terwijl de in Canada verrichte werkzaamheden slechts besprekingen betroffen.
In cassatie betoogde belanghebbende dat een deel van de werkzaamheden in Canada was verricht en dat daarom niet de gehele winst in Nederland belast kon worden. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en benadrukte dat de Wet IB 2001 bepaalt dat bij resultaat uit overige werkzaamheden met betrekking tot een onroerende zaak de ligging van de zaak beslissend is, ongeacht waar de werkzaamheden feitelijk zijn verricht.
De Hoge Raad bevestigde dat de winst uit de aan- en verkoop van het perceel moet worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland, omdat het onroerend goed in Nederland is gelegen. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de winst uit de verkoop van het perceel wordt belast als resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland.