Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 21 december 2011, nr. BK-10/00253, betreffende een aan
[X1]te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in het recht van successie.
Hoge Raad
Belanghebbende erfde samen met zijn broer de nalatenschap van hun vader, die in 2003 overleed. De woning werd bewoond door een derde partij, [B], die na het overlijden voortgezet in de woning mocht blijven wonen op basis van een mondelinge afspraak die het Hof kwalificeerde als een derdenbeding. De Inspecteur accepteerde geen waardedrukkende factor voor de bewoning door [B] bij de successieaanslag.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de last uit het derdenbeding als een aan de verkrijging verbonden last in de zin van artikel 5, lid 1, Successiewet 1956 moest worden beschouwd, waardoor de aanslag verminderd werd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht aannam dat de mondelinge afspraak een derdenbeding vormde dat een recht op voortgezette bewoning gaf en dat de last die daaruit voortvloeit in mindering komt op de verkrijging bij successie. Het cassatiemiddel dat stelde dat het derdenbeding op grond van artikel 7:177 BW Pro verviel, werd verworpen omdat dit betoog niet eerder was aangevoerd en feitelijke beoordeling vergt.
Het incidentele beroep van belanghebbende betrof de vergoeding van kosten in de bezwaarfase, welke door het Hof ten onrechte was afgewezen. De Hoge Raad verklaarde dit beroep gegrond en veroordeelde de Staatssecretaris en de Inspecteur in de proceskosten. Het principale beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het incidentele beroep van belanghebbende gegrond, met veroordeling in proceskosten.