Uitspraak
[X]te
[Z], België, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank te Bredavan 27 maart 2012, nr. AWB 10/5437, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende, een Nederlandse nationaliteit dragende inwoner van België, had in 2007 aandelen in Nederlandse beursfondsen en ontving dividenden waarop dividendbelasting werd ingehouden. Hij verzocht om teruggave van een deel van deze dividendbelasting, wat door de Inspecteur werd afgewezen en door de Rechtbank Breda werd bevestigd. De Rechtbank oordeelde dat er geen belemmering van het vrije kapitaalverkeer was omdat de effectieve belastingdruk voor niet-ingezetenen niet hoger was dan voor ingezetenen, waarbij ook de Nederlandse inkomstenbelasting werd betrokken.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de Rechtbank een onjuiste vergelijkingsmaatstaf hanteerde en dat alleen het feitelijke dividendrendement in aanmerking genomen moet worden. De Hoge Raad overwoog dat ingezetenen en niet-ingezetenen vergelijkbaar kunnen zijn indien zij voor hetzelfde inkomen in de bronstaat worden belast, maar dat dit bij portfoliodividenden anders ligt dan bij deelnemingsdividenden.
De Hoge Raad stelde vragen aan het Hof van Justitie EU over de reikwijdte van artikel 63 VWEU Pro, met name of de vergelijking van belastingdruk zich ook moet uitstrekken tot de inkomstenbelasting waarmee dividendbelasting bij ingezetenen wordt verrekend, en hoe die effectieve belastingdruk moet worden vastgesteld. Het geding is geschorst in afwachting van het arrest van het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie EU en schorst het geding in afwachting van het arrest.