Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2. De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
26 november 2013.
Hoge Raad
De aanvrager heeft een verzoek tot herziening ingediend tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden uit 2007, waarin hij was veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie en medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De aanvraag baseerde zich op een document van de Zwitserse politie dat zou aantonen dat er geen sprake was van een anonieme tip, maar van een langer lopend politieonderzoek dat niet was verantwoord volgens artikel 152 Sv Pro.
De Hoge Raad beoordeelt of dit nieuwe gegeven, dat tijdens het oorspronkelijke proces niet bekend was, een ernstige twijfel kan doen ontstaan over de rechtmatigheid van het onderzoek en daarmee tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of minder zware straf zou moeten leiden. De Hoge Raad stelt dat alleen in uitzonderlijke gevallen, waarbij sprake is van ernstige schendingen van de procesorde en aantoonbare benadeling van het recht op een eerlijk proces, tot niet-ontvankelijkverklaring kan worden overgegaan.
De aanvrager heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aangevoerde gegeven zodanig zwaarwegend is. De fotokopie van het Zwitserse document zonder nadere toelichting weegt onvoldoende om het eerdere oordeel te herzien. Daarom verklaart de Hoge Raad de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond en wijst deze af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende aannemelijkheid van nieuwe feiten.