Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
26 november 2013.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1968, is in hoger beroep door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens oorlogsmisdrijven gepleegd in Rwanda. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad, dat op 26 november 2013 werd behandeld.
De advocaat van de verdachte diende schriftelijke middelen in, maar de waarnemend Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was, aangezien er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Ambtshalve constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het beroep. Gezien de aard van de opgelegde levenslange gevangenisstraf zag de Hoge Raad echter geen aanleiding om aan deze overschrijding rechtsgevolgen te verbinden.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof. Het vonnis werd uitgesproken door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, met de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de levenslange gevangenisstraf en wijst het cassatieberoep af.