ECLI:NL:HR:2013:1402

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2013
Publicatiedatum
21 november 2013
Zaaknummer
12/05996
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3 lid 1 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 10:31 BWArt. 10:32 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit minderjarige kind afgewezen

In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over een verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit van een minderjarig kind op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap. Het kind was vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger, die cassatie instelde tegen de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage.

De kern van het geschil betrof de vraag of de erkenning van een in het buitenland gesloten polygamisch huwelijk gevolgen kon hebben voor de vaststelling van de Nederlandse nationaliteit van het kind. Daarbij speelde ook de beoordeling van de betrokkenheid bij de Nederlandse rechtssfeer en de toepassing van de openbare orde een rol.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beschikking van de rechtbank en de conclusie van de Advocaat-Generaal, die tot verwerping van het beroep streefde. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de weigering om de Nederlandse nationaliteit van het kind vast te stellen. De beschikking is gegeven door de raadsheren Streefkerk, Heisterkamp en Polak en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Loth.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit wordt afgewezen.

Uitspraak

22 november 2013
Eerste Kamer
12/05996
EE/GB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],
in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [het kind]
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. W.B. Teunis,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.M. van Asperen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 405776/HA RK 11-652 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 september 2012.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
22 november 2013.