ECLI:NL:HR:2012:BY8161

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 12/02197
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.35 Wet IB 2001Art. 6.38 Wet IB 2001Art. 6.40 Wet IB 2001Art. 3.144 Wet IB 2001
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over periodieke giften en aftrekbaarheid bij schenking met uitgestelde betalingen

De zaak betreft een geschil over de fiscale behandeling van periodieke giften in de vorm van certificaten van aandelen die een moeder aan een stichting heeft geschonken. De schenking was afhankelijk gesteld van levensduur en duurde van 2001 tot 2005, maar de moeder overleed in 2002. Belanghebbende, erfgenaam van de moeder, bracht de tweede en derde termijn van de periodieke verstrekkingen als aftrekbare giften in mindering op zijn belastbare inkomen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof stelde dat toetsing aan het vereiste van vrijgevigheid en de vaststelling van vaste en gelijkmatige periodieke verstrekkingen plaatsvindt bij de totstandkoming van de schenking. Het hof oordeelde dat de tweede termijn niet aftrekbaar was in 2003 omdat deze in 2002 rentedragend was geworden. Tevens oordeelde het hof dat de erfgenamen recht hebben op giftenaftrek gerelateerd aan de verplichting tot betaling van het schenkingsrecht.

De Advocaat-Generaal concludeerde dat de uitkeringen berusten op een notariële schenkingsovereenkomst en dat het artikel 6.38 Wet IB 2001 niet vereist dat de uitkeringen daadwerkelijk jaarlijks zijn betaald. De giftenaftrek komt toe op het moment van terbeschikkingstelling, niet op het moment van feitelijke betaling. De betaling van het schenkingsrecht door de erfgenamen kan niet worden aangemerkt als een gift. De conclusie van de A-G is dat zowel het cassatieberoep van de Staatssecretaris als dat van belanghebbende gegrond moeten worden verklaard.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen gegrond en bepaalt dat giftenaftrek toekomt op het moment van terbeschikkingstelling, ongeacht de feitelijke jaarlijkse betaling.

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt