ECLI:NL:HR:2012:BX8547

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00636
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:77 AwbArt. 31 RvArt. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid hof om hersteluitspraak rechtbank op te dragen in omzetbelastingzaak

Belanghebbende kreeg voor het tijdvak 2002-2004 een naheffingsaanslag omzetbelasting en een boete opgelegd, die na bezwaar door de inspecteur werden gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de aanslag en boete en verminderde deze. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank, maar bepaalde dat de griffier een afschrift aan de rechtbank moest sturen voor het doen van een hersteluitspraak vanwege een kennelijke misslag in het dictum.

Belanghebbende stelde cassatie in, maar verzuimde de gronden van het beroep aan te voeren. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet bevoegd is om de rechtbank op te dragen een hersteluitspraak te doen en vernietigt dit deel van het hofarrest. De Hoge Raad neemt de zaak zelf afdoende en verklaart het cassatieberoep gegrond.

De Hoge Raad veroordeelt de staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en gelast vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende. Hiermee wordt bevestigd dat het hof niet buiten de grenzen van het hoger beroep mag treden door een herstelopdracht aan de rechtbank te geven.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het de herstelopdracht betreft en doet de zaak zelf af.

Uitspraak

28 september 2012
Nr. 11/00636
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 maart 2011, nr. 09/00471, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. 08/1468) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag alsmede de boete verminderd. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en bepaald dat de griffier een afschrift van de uitspraak aan de Rechtbank stuurt voor het doen van een hersteluitspraak. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Daarbij heeft hij verzuimd de gronden van het beroep aan te voeren. De hem door de griffier van de Hoge Raad geboden gelegenheid dat verzuim te herstellen, is onbenut gebleven.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Staatssecretaris heeft aangevoerd dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:6 Awb Pro het beroep niet-ontvankelijk is, omdat niet is voldaan aan het in artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb gestelde vereiste dat het beroepschrift de gronden van het beroep bevat, terwijl de indiener van het beroepschrift de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen.
Artikel 6:6 Awb Pro geeft de rechter de bevoegdheid in zulk een geval het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dit laat onverlet dat de Hoge Raad de uitspraak waarvan beroep zal kunnen vernietigen op een hem ambtshalve aanwezig geoordeelde grond.
Gelet op het hierna in 4 overwogene zal in het onderhavige geval niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven.
4. Ambtshalve beoordeling van 's Hofs uitspraak
4.1. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, maar geoordeeld dat de Rechtbank in het dictum van haar uitspraak een kennelijke misslag heeft begaan door de in geschil zijnde naheffingsaanslag te verminderen tot € 31.039, dat het partijen na kennisneming van rechtsoverweging 2.10 van de uitspraak van de Rechtbank aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat het in het dictum vermelde bedrag van de naheffingsaanslag op een misslag berustte en dat in plaats daarvan de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 35.791, zijnde - kort gezegd - voormeld bedrag van € 31.039, vermeerderd met de in de naheffingsaanslag begrepen en niet in geschil zijnde correcties ten bedrage van in totaal € 4752. Om die reden heeft het Hof de Rechtbank opgedragen om met overeenkomstige toepassing van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een hersteluitspraak te doen ter verbetering van het dictum in de uitspraak van de Rechtbank.
4.2. Anders dan het Hof heeft aangenomen, heeft het niet de bevoegdheid de Rechtbank op te dragen een hersteluitspraak te doen. Het Hof had, het hoger beroep van belanghebbende ongegrond bevindend, moeten volstaan met de bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4.3. Gelet op het hiervoor in 4.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.4. Opmerking verdient nog het volgende. Zoals het Hof in onderdeel 3.3 van zijn uitspraak heeft vastgesteld, heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd. Het Hof kon dus ook niet, zonder buiten de grenzen van het geschil in hoger beroep te treden, de naar zijn oordeel door de Rechtbank ten gunste van belanghebbende begane misslag zelf herstellen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof doch uitsluitend voor zover daarbij is bepaald dat de griffier de uitspraak van het Hof in afschrift aan de Rechtbank stuurt voor het doen van een hersteluitspraak,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 448, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 437 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, C.H.W.M. Sterk, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2012.