ECLI:NL:HR:2012:BW9844
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing artikel 10d Wet vennootschapsbelasting bij houdster- en financieringsmaatschappij
Belanghebbende, een vennootschap die gelden inleent en deelnemingen houdt en financiert, werd geconfronteerd met een beperking van renteaftrek op grond van artikel 10d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Rechtbank had het bezwaar van belanghebbende deels gegrond verklaard en de aanslag en verliesvaststelling aangepast.
In cassatie stond centraal de uitleg van het begrip 'gemiddeld vreemd vermogen' in artikel 10d lid 1, en de vraag of de saldering van verschuldigde en uitstaande geldleningen ook voor de noemer van de breuk geldt. De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever deze saldering ook voor de noemer heeft bedoeld, en verwierp het middel dat dit anders zou zijn.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het onderscheid tussen houdstermaatschappijen en houdster- en financieringsmaatschappijen niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het discriminatieverbod, omdat de bedrijfsactiviteiten verschillen en daarmee ook de mate van financiering met vreemd vermogen.
Ten slotte bevestigde de Hoge Raad dat toetsing aan artikel 56 EG Pro (thans 63 VWEU) niet aan de orde is omdat artikel 10d Wet Vpb alleen betrekking heeft op groepsverhoudingen en dus uitsluitend aan de vrijheid van vestiging getoetst moet worden, welke niet wordt beperkt in deze zaak. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de toepassing van artikel 10d Wet Vpb bevestigd.