ECLI:NL:HR:2012:BW3780

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/02363 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 17 Handvest van de Grondrechten van de EU
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beslag en rechthebbende bij klaagschrift op grond van art. 552a Sv

In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Haarlem inzake een klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. De klaagster vorderde de teruggave van inbeslaggenomen geldbedragen die onder een betrokkene waren gelegd. De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard omdat onvoldoende aannemelijk was dat klaagster buiten redelijke twijfel als rechthebbende kon worden aangemerkt en het belang van de strafvordering zich tegen opheffing van het beslag verzette.

De Hoge Raad herhaalde de maatstaf die in eerdere jurisprudentie is vastgesteld: bij een klaagschrift van een ander dan de beslagene moet de rechtbank toetsen of het belang van de strafvordering het beslag vereist en of de klager redelijkerwijze als rechthebbende moet worden beschouwd. De rechtbank had deze maatstaf niet miskend.

De Hoge Raad verwierp het middel dat stelde dat deze maatstaf onvoldoende bescherming biedt tegen schending van het eigendomsrecht zoals gewaarborgd in het EVRM en het Handvest van de Grondrechten van de EU. De Hoge Raad oordeelde dat deze opvatting onjuist is en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de beslissing van de rechtbank.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en handhaafde de beschikking van de rechtbank die het klaagschrift ongegrond verklaarde.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag blijft gehandhaafd omdat de klaagster niet aannemelijk heeft gemaakt rechthebbende te zijn.

Uitspraak

15 mei 2012
Strafkamer
nr. S 11/02363 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Haarlem van 21 april 2011, nummer RK 11/78, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[Klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. K. Valkeneers, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank met toepassing van een onjuiste maatstaf het klaagschrift ongegrond heeft verklaard.
2.2. De Rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster, voor zover strekkende tot teruggave van de onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedragen van € 400,-, € 2.000,- en € 673,60, ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
"De Rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde in raadkamer van oordeel, dat (...) het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard behoort te worden, nu het belang van strafvordering zich vooralsnog verzet tegen de opheffing van het daarop gelegde beslag en onvoldoende aannemelijk is geworden, dat klaagster buiten redelijke twijfel als rechthebbende daarop moet worden aangemerkt."
2.3. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat onder [betrokkene 1] op de voet van art. 94 Sv Pro beslag is gelegd op de in het klaagschrift bedoelde geldbedragen.
2.4. In een geval als het onderhavige, waarin een ander dan de beslagene, stellende dat het inbeslaggenomene hem toebehoort, zich bij de Rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem, dient de Rechtbank (a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen, (b) de teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen te gelasten aan de klager indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van deze geldbedragen moet worden beschouwd (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654 rov. 2.11). De Rechtbank heeft, blijkens haar overwegingen, het voorgaande niet miskend.
2.5. Het middel steunt op de opvatting dat door te beoordelen, uitgaande van het hiervoor genoemde beslissingskader, of de klaagster redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van de inbeslaggenomen geldbedragen kan worden aangemerkt, geen effectieve bescherming wordt geboden tegen het in art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM en art. 17 Handvest Pro van de Grondrechten van de EU gewaarborgde eigendomsrecht van de klaagster. Die opvatting is onjuist.
2.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2012.