ECLI:NL:HR:2012:BV9197
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep wegens art. 427 lid 2 Sv
De verdachte was door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 tot een geldboete van €250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis. Tegen dit arrest stelde de verdachte beroep in cassatie in, vertegenwoordigd door mr. P. Lesquillier. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de verdachte niet-ontvankelijk verklaard moest worden in het cassatieberoep op grond van artikel 427, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De raadsheren van de Hoge Raad hebben de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de verdachte inderdaad niet in cassatie kan worden ontvangen. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld. De Hoge Raad heeft vervolgens de niet-ontvankelijkverklaring uitgesproken.
Het arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, en uitgesproken op 17 april 2012. Hiermee komt een einde aan de procedure in cassatie.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens toepassing van art. 427 lid 2 Sv.