ECLI:NL:HR:2012:BU3774

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02357
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijskracht van leveringsakte bij aanvullende afspraken doorverkoop appartementsrecht

In deze zaak stond de bewijskracht van een leveringsakte centraal, met betrekking tot aanvullende afspraken die gemaakt zouden zijn bij de koop van een appartementsrecht, specifiek over doorverkoop binnen drie jaar. Eiseres stelde dat er aanvullende afspraken waren gemaakt die de doorverkoop beperkten.

De zaak werd behandeld in verschillende instanties, waaronder de rechtbank en het gerechtshof te 's-Gravenhage, waarbij het hof een arrest wees dat in cassatie werd aangevochten. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen nadere motivering nodig was.

Het cassatieberoep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding, die nihil werden begroot. Hiermee werd het arrest van het gerechtshof bekrachtigd, waarmee de aanvullende afspraken niet als voldoende bewezen werden geacht om de bewijskracht van de leveringsakte te doorbreken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.

Uitspraak

13 januari 2012
Eerste Kamer
10/02357
EE/RA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser 1] en [eiseres 2] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 261651/HA ZA 06-906 van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 juli 2006, 28 februari 2007 en 21 november 2007;
b. het arrest in de zaak 105.007.514/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 februari 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser 1] en [eiseres 2] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Ter rolle van 13 augustus 2010 is de zaak ten aanzien van [eiser 1] op diens verzoek geroyeerd.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres 2] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De advocaat van [eiseres 2] heeft bij brief van 17 november 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres 2] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 13 januari 2012.