ECLI:NL:HR:2011:BU1908

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00255
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 7:629 BWArt. 7:658a BWArt. 7:681 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie bij kennelijk onredelijk ontslag wegens re-integratieverzuim

In deze zaak stond de opzegging van een arbeidsovereenkomst centraal, waarbij de werknemer (eiseres) werd ontslagen wegens het niet voldoen aan haar re-integratieverplichtingen. Eiseres vorderde doorbetaling van loon en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.

De zaak werd in eerste aanleg behandeld door de kantonrechter te Rotterdam, gevolgd door een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Tegen dit arrest stelde eiseres beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen, waarbij werd geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee bleef het oordeel van het hof dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het rechtmatige ontslag wegens niet voldoen aan re-integratieverplichtingen.

Uitspraak

23 december 2011
Eerste Kamer
11/00255
TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. A.J. Fontijn,
t e g e n
UNILEVER NEDERLAND HOLDINGS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Unilever.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 829580 CV EXPL 07-26630 van de kantonrechter te Rotterdam van 29 februari 2008 (tussenvonnis) en 22 augustus 2008 (eindvonnis);
b. het arrest in de zaak 200.020.208/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 september 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Unilever heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Unilever begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 23 december 2011.