ECLI:NL:HR:2011:BT7504

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04950
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping verzet tegen dwangbevelen tot invordering verbeurde dwangsommen

In deze zaak stonden eisers, wonende te een woonplaats, tegenover de Gemeente Rotterdam, deelgemeente Overschie. Het geschil betrof het verzet tegen dwangbevelen tot invordering van verbeurde dwangsommen op grond van dwangsombesluiten. De procedure begon bij de rechtbank Rotterdam met vonnissen van 1 maart 2006 en 16 mei 2007, waarna het gerechtshof te 's-Gravenhage op 4 mei 2010 een arrest uitbracht dat in cassatie werd aangevochten.

De Hoge Raad verwees naar de eerdere uitspraken en concludeerde dat de klachten van eisers niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de eisers in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 771,34 aan verschotten en € 2.200,-- aan salaris. Het arrest werd op 9 december 2011 gewezen en in het openbaar uitgesproken door raadsheer J.C. van Oven.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en zij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

9 december 2011
Eerste Kamer
10/04950
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE GEMEENTE ROTTERDAM, deelgemeente Overschie,
zetelende te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Gemeente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 242272/HA ZA 05-2016 van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2006 en 16 mei 2007;
b. het arrest in de zaak 105.007.028/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 mei 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Gemeente mede door mr. L.C.W.M. van Kessel, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft op 21 oktober 2011 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 771,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 december 2011.