ECLI:NL:HR:2011:BT6837
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding in verzetprocedure bij belastingaanslag
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar werd gehandhaafd. Tegen deze uitspraak startte belanghebbende een beroepsprocedure bij de Rechtbank te Haarlem, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Belanghebbende deed verzet tegen deze uitspraak, waarna de Rechtbank het verzet gegrond verklaarde, maar niet besliste over het verzoek om proceskostenvergoeding.
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat de Rechtbank onjuist had geoordeeld door niet te beslissen over het verzoek om proceskostenvergoeding in de uitspraak op het verzet. De Hoge Raad vernietigde daarom de uitspraak van de Rechtbank voor zover het verzoek om proceskostenvergoeding niet was behandeld.
De Hoge Raad bepaalde dat aan belanghebbende een vergoeding van het betaalde griffierecht en de kosten van rechtsbijstand moest worden toegekend. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat bij een gegrond verklaard verzet de kostenvergoeding als hoofdregel toekomt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze niet besliste op het verzoek om proceskostenvergoeding en veroordeelt de Staat tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.