ECLI:NL:HR:2011:BQ7637

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04843
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 3 AWRHoofdstuk VIIIA AWRArt. 5:45 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boetebeschikking wegens verstrijken bevoegdheid opleggen vergrijpboete

Belanghebbende kreeg voor de jaren 1998, 1999 en 2000 aanslagen inkomstenbelasting en premies opgelegd, inclusief vergrijpboetes en heffingsrente. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze beschikkingen, maar de Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Het Hof vernietigde vervolgens de boetebeschikkingen voor 1998 en 1999 deels en verminderd de aanslagen en heffingsrente.

Belanghebbende stelde cassatie in tegen het Hofarrest. De Hoge Raad onderzocht ambtshalve of de bevoegdheid tot het opleggen van de boete voor 1999 door tijdsverloop was verstreken. De Hoge Raad oordeelde dat dit het geval was en dat het Hof de boetebeschikking voor 1999 had moeten vernietigen.

De Hoge Raad vernietigde daarom het Hofarrest, het vonnis van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur voor zover deze betrekking hadden op de boete 1999. De zaak werd zelf afgedaan door vernietiging van de boetebeschikking. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten aan de zijde van belanghebbende.

Uitkomst: De boetebeschikking voor het jaar 1999 wordt vernietigd wegens het verstrijken van de bevoegdheid tot oplegging.

Uitspraak

Nr. 10/04843
10 juni 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 september 2010, nr. P08/00432 t/m 08/00436, betreffende na te melden aanslagen, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een vergrijpboete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 1998 een aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een vergrijpboete. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 1999 een aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
De aanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 07/5462 tot en met AWB 07/5466) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft met betrekking tot de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998, de daarbij gegeven boetebeschikking en beschikkingen heffingsrente de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, zowel de aanslagen als de beschikkingen heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd.
Het Hof heeft met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 en de daarbij gegeven boetebeschikking en beschikking heffingsrente de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur vernietigd voor zover deze de boetebeschikking betreffen, het beroep gegrond verklaard, de boete verminderd en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd voor zover deze de aanslag en de beschikking heffingsrente betreft.
Het Hof heeft met betrekking tot de aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen voor het jaar 1999 en de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
4.1. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de wettelijke termijn waarbinnen de Inspecteur mocht overgaan tot het opleggen van een vergrijpboete voor het jaar 1999 verstreken was op het moment waarop hij de boete voor dat jaar oplegde.
4.2. De belastingrechter dient in geval van een geschil over een bestuurlijke boete ambtshalve te onderzoeken of de bevoegdheid tot het opleggen van die boete door tijdsverloop is vervallen, ook indien een belanghebbende afstand heeft gedaan van een beroep op dat tijdsverloop (zie HR 29 april 2011 nr. 09/05158, LJN BN9685, V-N 2011/23.6). Het Hof had derhalve de boetebeschikking voor het jaar 1999 moeten vernietigen. 's Hofs uitspraak kan in verband daarmee niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur, doch enkel voor zover deze betrekking hebben op de boete voor het jaar 1999,
vernietigt de boetebeschikking voor het jaar 1999,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 111, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011.