ECLI:NL:HR:2011:BQ6015
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring over voordeel trekken uit valselijk verkregen uitkering
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte opzettelijk voordeel had getrokken uit een uitkering die door zijn medeverdachte door middel van valsheid in geschrift was verkregen. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte gedurende een periode van twaalf jaar gebruik maakte van voorzieningen in een woning die geheel of gedeeltelijk werden betaald met deze onrechtmatig verkregen uitkering.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van verdachte en betrokkenen, proces-verbalen van opsporingsambtenaren, en overzichten van energie- en waterverbruik op de betrokken adressen. Uit deze gegevens concludeerde het hof dat verdachte en medeverdachte samenwoonden en dat verdachte gebruik maakte van de voorzieningen in de woning.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof niet voldoende had gemotiveerd dat verdachte wist dat de voorzieningen geheel of gedeeltelijk werden betaald met de door valsheid in geschrift verkregen uitkering. De bewezenverklaring voldeed daardoor niet aan de wettelijke eisen van motivering. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het betrekking had op dit bewezenverklaarde feit en de strafoplegging, en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
De overige onderdelen van het cassatieberoep werden verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 5 juli 2011.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het bewezenverklaarde voordeel trekken uit de valselijk verkregen uitkering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.