ECLI:NL:PHR:2011:BQ6015

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00458
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring en strafoplegging wegens onvoldoende bewijs voordeel uit misdrijf

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte veroordeeld werd voor meerdere feiten, waaronder het opzettelijk uit de opbrengst van een misdrijf voordeel trekken. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte gedurende een periode van twaalf jaar gebruik maakte van een woning en voorzieningen die betaald werden uit een uitkering die door valsheid in geschrift was verkregen door een medeverdachte.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte wist dat de woning en voorzieningen geheel of gedeeltelijk werden betaald uit de frauduleus verkregen uitkering. Hoewel vaststond dat verdachte met de medeverdachte samenwoonde en dat de medeverdachte een uitkering had verkregen door valsheid in geschrift, ontbrak het bewijs dat verdachte daarvan bewust voordeel trok.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het betrekking heeft op het bewezenverklaarde voordeel uit misdrijf en de strafoplegging daaromtrent. De zaak wordt terugverwezen naar het hof of een ander hof voor hernieuwde berechting. De overige bewezenverklaringen en strafoplegging blijven onbesproken.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het bewezenverklaarde voordeel uit misdrijf en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 10/00458
Mr. Vellinga
Zitting: 17 mei 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd", 2. "In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd", 3. "Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd" en 4. primair "Oplichting" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 10/00458 en 10/00615. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het onder 3 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
5. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 3 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 19 december 1994 tot en met 19 december 2006 in de gemeente Alkmaar, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning op het adres [a-straat 1] en de in die woning aanwezige voorzieningen, te weten onder meer gas en water en elektra en opzettelijk eet- en drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat die woning en de in die woning aanwezige voorzieningen en die eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand, welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door valsheid in geschrift was verkregen, hebbende verdachte aldus telkens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken"
6. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan wel worden afgeleid dat verdachte enige tijd met [medeverdachte] heeft samengewoond (in het bijzonder bewijsmiddelen 3, 4 en 5), en met enige goede wil dat [medeverdachte] een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand had die door valsheid in geschrift was verkregen (bewijsmiddel 9), maar niet dat die woning en de in die woning aanwezige voorzieningen en die eet-of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van genoemde uitkering van [medeverdachte]. De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wijst in zekere zin op het tegendeel nu verdachte blijkens zijn verklaring niet alleen beschikte over een uitkering, maar daarnaast ook over inkomsten uit werk.
7. Dat de verdachte en Schouten, zoals het Hof blijkens zijn nadere bewijsoverweging met betrekking tot feit 3 uit verdachtes dagelijks verblijf bij Schouten en zijn samenwonen met haar meent te kunnen afleiden, gezamenlijk eten en drinken, maakt het voorgaande niet anders. Daarmee is immers nog niet gezegd wie het eten en drinken betaalt.
8. Zo al die woning en de in die woning aanwezige voorzieningen en die eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van de door valsheid in geschrifte verkregen uitkering van [medeverdachte], dan blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen nog niet dat de verdachte daarvan weet had, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet.
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 3 bewezenverklaarde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG