ECLI:NL:HR:2011:BP6297
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring cassatieberoep tegen beëindiging WWB-uitkering
Belanghebbende kreeg op 28 maart 2008 van het College van burgemeester en wethouders van Heerenveen te horen dat zijn WWB-uitkering per 1 februari 2008 werd beëindigd. Het bezwaar tegen dit besluit werd door het College ongegrond verklaard. Vervolgens verklaarde de Rechtbank Leeuwarden het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die de uitspraak van de rechtbank bevestigde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, waarbij hij meerdere klachten aanvoerde. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet was ingesteld op grond van de juiste wettelijke bepalingen van de WWB, met name artikel 3, leden 2 tot en met 5, dat betrekking heeft op begrippen als gehuwd, ongehuwd en gezamenlijke huishouding.
Daarom konden de klachten niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees geen proceskosten toe. Dit arrest bevestigt de eerdere bestuursrechtelijke beslissingen over de beëindiging van de WWB-uitkering.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard en de beëindiging van de WWB-uitkering blijft in stand.