ECLI:NL:HR:2011:BP4800

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03320
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 990 RvArt. 992 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens overschrijding termijn levensonderhoudsverplichting

Verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem waarin het hof op hoger beroep de beschikking van de rechtbank Almelo vernietigde en het LBIO verlof verleende tot gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een in de Verenigde Staten gewezen vonnis tot levensonderhoud.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de hand van art. 990 Rv Pro., dat een termijn van een maand na de dag van de beschikking van het hof voorschrijft. Omdat verzoeker het cassatieberoep te laat had ingediend, werd het principaal beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Gevolg hiervan was dat ook het incidenteel cassatieberoep van het LBIO niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot niet-ontvankelijkverklaring werd gevolgd.

De Hoge Raad bevestigde hiermee het belang van strikte naleving van de cassatietermijn en de toepasselijkheid van art. 990 Rv Pro. ook in zaken met internationale aspecten zoals de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen tot levensonderhoud.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoeker en het incidenteel cassatieberoep van het LBIO werden niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.

Uitspraak

13 mei 2011
Eerste Kamer
10/03320
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN,
gevestigd te Gouda,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en het LBIO.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 99825 / KG RK 09-64 van de rechtbank Almelo van 13 mei 2009;
b. de beschikking in de zaak 200.046.426 van het gerechtshof te Arnhem van 27 april 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het LBIO heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
[Verzoeker] heeft een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in het principaal beroep en van het LBIO in het incidenteel beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het principaal en van het incidenteel beroep
3.1 [Verzoeker] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 26 juli 2010, beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof van 27 april 2010. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] de beschikking van de rechtbank vernietigd en het LBIO, op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud, Washington, 30 mei 2001, Trb. 2001, 117, verlof verleend tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een vonnis van de Superior Court of the State of Washington for King County van 17 april 1995 waarbij ten laste van [verzoeker] een verplichting tot levensonderhoud ten behoeve van een buiten huwelijk geboren kind is vastgesteld.
3.2 Ingevolge het te dezen toepasselijke art. 990 Rv Pro. bedraagt de termijn voor het instellen van beroep in cassatie een maand na de dag waarop de beschikking van het gerechtshof is gegeven. Het voormelde Verdrag bevat geen afwijkende voorziening (art. 992 Rv Pro.). Het principaal cassatieberoep is derhalve te laat ingesteld.
3.3 Nu [verzoeker] in zijn principaal beroep wegens overschrijding van de cassatietermijn niet kan worden ontvangen, moet het LBIO in zijn incidenteel beroep eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] en het LBIO niet-ontvankelijk in hun beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 mei 2011.