ECLI:NL:PHR:2011:BP4800

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03320
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 985 RvArt. 990 RvArt. 992 RvArt. VIII Verdrag tussen Nederland en Verenigde Staten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding cassatietermijn bij tenuitvoerlegging buitenlandse onderhoudsverplichting

Verzoeker heeft bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem waarin verlof werd verleend tot gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een buitenlandse onderhoudsverplichting. Het hof had een beschikking van de rechtbank Almelo vernietigd en het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) verlof verleend op grond van een internationale overeenkomst.

De Hoge Raad stelt vast dat de cassatietermijn van één maand, zoals bepaald in art. 990 Rv Pro, is overschreden. De beschikking van het hof dateert van 27 april 2010, terwijl het cassatieberoep pas op 26 juli 2010 bij de Hoge Raad is ingekomen. Het Verdrag bevat geen afwijkende termijnregeling.

Daarom kan verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn principaal cassatieberoep. Gevolg is dat ook het incidenteel cassatieberoep van het LBIO niet-ontvankelijk wordt verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van beide beroepen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.

Conclusie

10/03320
Mr L. Strikwerda
Parket, 11 febr. 2011
Conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 26 juli 2010, beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 27 april 2010. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] een beschikking van de rechtbank Almelo van 13 mei 2009 vernietigd en thans verweerder in cassatie, hierna: het LBIO, op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud, Washington, 30 mei 2001, Trb. 2001, 117, hierna: het Verdrag, verlof verleend tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een vonnis van de Superior Court of the State of Washington for King County van 17 april 1995 waarbij ten laste van [verzoeker] een verplichting tot levensonderhoud ten behoeve van een buiten huwelijk geboren kind is vastgesteld.
2. Het LBIO heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep van [verzoeker] te verwerpen. Voorts heeft het LBIO van zijn kant incidenteel cassatieberoep ingesteld. [Verzoeker] heeft een verweerschrift in het incidenteel beroep ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het incidenteel cassatieberoep van het LBIO te verwerpen.
3. [Verzoeker] kan naar mijn oordeel wegens overschrijding van de cassatietermijn in zijn principaal cassatieberoep niet worden ontvangen. Ik licht dit als volgt toe.
4. Bij gebreke van een regeling in het Verdrag zelf, is de procedure die gevolgd moet worden ter verkrijging van een verlof tot tenuitvoerlegging van een beslissing onder het Verdrag, de procedure die is geregeld in art. 985 e.v. Rv. Zie Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., art. 985, aant. 6 (P. Vlas). Zie ook art. VIII van het Verdrag.
5. Ingevolge art. 990 Rv Pro bedraagt de termijn voor het instellen van beroep in cassatie een maand na de dag waarop de beschikking van het gerechtshof is gegeven. Het Verdrag bevat geen afwijkende voorziening (art. 992 Rv Pro).
6. De bestreden beschikking van het hof is gegeven op 27 april 2010. [Verzoeker] heeft zijn cassatieberoep aangebracht bij verzoekschrift dat op 26 juli 2010 ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen. Het cassatieberoep is derhalve te laat ingesteld.
7. Nu [verzoeker] in zijn principaal beroep wegens overschrijding van de cassatietermijn niet kan worden ontvangen, moet het LBIO in zijn incidenteel beroep eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard. Vgl. HR 18 februari 1994, NJ 1994, 606 nt. HER. Zie voorts Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 148 en 214.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in het principaal beroep en van het LBIO in het incidenteel beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,