ECLI:NL:HR:2011:BO4028
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet-indienen middelen binnen termijn
Op 4 januari 2011 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een verstekvonnis van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Betrokkene had beroep in cassatie ingesteld tegen een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft betrokkene niet binnen de wettelijke termijn een schriftuur met middelen van cassatie door een raadsman ingediend, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv.
De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd dat betrokkene niet-ontvankelijk verklaard moest worden. De Hoge Raad bevestigde dit en verklaarde betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep. Hierdoor kon de Hoge Raad inhoudelijk niet op de zaak ingaan.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, samen met raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, en in aanwezigheid van de waarnemend griffier J.D.M. Hart. Dit arrest bevestigt het belang van het tijdig en correct indienen van cassatiemiddelen door een raadsman om ontvankelijk te zijn in cassatie.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.