ECLI:NL:HR:2011:BN8726
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen schending gemeenschapsrecht bij dubbele successiebelasting tussen Nederland en België
Belanghebbende was gerechtigd tot een vierde van de nalatenschap van zijn vader, die in 2002 overleed en ten tijde van overlijden woonachtig was in België. De nalatenschap omvatte onder andere aandelen in een Nederlandse besloten vennootschap die als onroerendezaaklichaam werd aangemerkt.
Nederland en België legden beiden successierecht op, wat leidde tot dubbele belastingheffing. Nederland verleende geen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting voor de aandelen, terwijl België successierecht hief zonder vermindering. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag in Nederland, welke gedeeltelijk werd verminderd, maar de rechtbank vernietigde de uitspraak van de inspecteur en verminderde de aanslag verder.
De Hoge Raad oordeelde dat er geen sprake was van directe of indirecte discriminatie door Nederland en dat het gemeenschapsrecht geen algemene criteria bevat voor de verdeling van fiscale bevoegdheden tussen lidstaten bij successierecht. De parallelle uitoefening van fiscale bevoegdheden door Nederland en België leidt tot dubbele belasting, maar dit is niet in strijd met het gemeenschapsrecht. Het cassatieberoep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard, waarmee de aanslag in het recht van successie is bevestigd zonder aftrek van in België betaald successierecht.