ECLI:NL:HR:2010:BO8479

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04800
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 AwbArt. 7:12 AwbArt. 26c Awr
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over aanvang beroepstermijn bij belastingaanslag 2003

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting en een boete opgelegd. Na bezwaar handhaafde de inspecteur deze besluiten in één geschrift. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze uitspraken niet-ontvankelijk, wat het hof bevestigde. Belanghebbende stelde cassatie in tegen het hofarrest.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de bezwaarsuitspraken daadwerkelijk waren verzonden, een vereiste voor het aanvang van de beroepstermijn. De door het hof aangevoerde omstandigheden, zoals correspondentie en telefonische contacten, boden onvoldoende duidelijkheid over verzending.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten aan de zijde van belanghebbende.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 09/04800
24 december 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 oktober 2009, nr. BK-09/00283, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De aanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 08/8422 IB/PVV) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Voor het Hof heeft belanghebbende onder meer gesteld dat de uitspraken op bezwaar niet zijn verzonden, zodat geen beroepstermijn is aangevangen. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs is te concluderen dat de uitspraken op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem ambtshalve opgelegde aanslag en de daarbij opgelegde verzuimboete - met dagtekening 3 januari 2008 - op regelmatige wijze zijn verzonden. Ter ondersteuning daarvan heeft het Hof verwezen naar in het bijzonder de correspondentie voorafgaande aan de verzending van de uitspraken en telefonische contacten op 3 januari 2008.
3.2. Het eerste middel dat erover klaagt dat het hiervoor in 3.1 vermelde oordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd, slaagt. De door het Hof in het bijzonder vermelde omstandigheden werpen geen licht op de vraag of de uitspraken zijn verzonden.
3.3. De uitspraak van het Hof kan, gelet op het in 3.2 overwogene, niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige middelen behoeven geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 09/04801 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 110, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 874, derhalve € 437, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2010.