ECLI:NL:HR:2010:BO4481
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens belastingschulden te goeder trouw
De zaak betreft een verzoeker die in cassatie is gegaan tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP) werd afgewezen. De kern van het geschil was of de belastingschulden van verzoeker te goeder trouw waren ontstaan, hetgeen een vereiste is voor toepassing van de regeling op grond van artikel 288 lid 1 onder Pro a van het Faillissementswet.
De rechtbank Amsterdam had het verzoek eerder afgewezen, waarna het hof dit oordeel bevestigde. Verzoeker stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de belastingschulden niet te goeder trouw waren ontstaan. De Hoge Raad overwoog dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Hiermee bleef de afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in stand, omdat de belastingschulden te goeder trouw waren ontstaan en dus niet onder de regeling vielen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.