ECLI:NL:PHR:2010:BO4481
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstane belastingschulden
Verzoeker, die een eenmanszaak had en later zijn bedrijf inbracht in een besloten vennootschap, diende een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast van circa €166.924,40, waaronder belastingschulden op zijn naam.
De rechtbank wees het verzoek af en het hof Amsterdam bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat de belastingschulden niet te goeder trouw waren ontstaan, omdat de aangevoerde rechtvaardigingsgrond, fraude of onrechtmatig handelen van werknemers, onvoldoende was onderbouwd en niet ontslaat van betalingsverplichting.
Verzoeker stelde in cassatie dat hij wel te goeder trouw was, en dat het feit dat hij zijn eenmanszaak had ingebracht in een BV een grond was voor toepassing van artikel 288 lid 3 Fw Pro. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat de belastingschulden te goeder trouw waren ontstaan en dat het hof de discretionaire bevoegdheid omtrent artikel 288 lid 3 Fw Pro niet onjuist had uitgeoefend.
Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstane belastingschulden.