ECLI:NL:HR:2010:BO3638

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02930
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROWet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak inzake aanslag inkomstenbelasting 2004 na beroep in cassatie

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. De Rechtbank te Breda verklaarde het beroep tegen deze uitspraak ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Hof, dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigde.

Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde meerdere klachten aan. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, en belanghebbende een conclusie van repliek. Op verzoek van belanghebbende werd de zaak aangehouden in afwachting van een arrest van het HvJ EU, dat later bij de beoordeling werd betrokken.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is op grond van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Er zijn geen gronden voor veroordeling in proceskosten. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Nr. 09/02930
21 januari 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Spanje (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 september 2009, nr. 08/00428, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 07/4097) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Bij brief van 30 september 2010 heeft de Griffier van de Hoge Raad belanghebbende bericht dat in deze zaak op 8 oktober 2010 de beslissing in het openbaar zal worden uitgesproken. Op 6 oktober 2010 is een faxbrief van belanghebbende binnengekomen met het verzoek tot aanhouden van de zaak in afwachting van het arrest van het HvJ EU in de zaak C-345/09. De Griffier van de Hoge Raad heeft bij brief van 7 oktober 2010 aan belanghebbende bericht dat de beslissing op een nog nader te bepalen datum zal worden uitgesproken.
Belanghebbende heeft bij brief van 18 oktober 2010 verzocht het arrest van het HvJ EU in de zaak C-345/09, dat op 14 oktober 2010 gewezen is, bij de beoordeling van de zaak te betrekken.
3. Beoordeling van de klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2010.