ECLI:NL:HR:2010:BN9464

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01902
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in zaak over onrechtmatige daad wateroverlast akkerbouwpercelen

In deze zaak vordert eiser, wonende te een woonplaats, schadevergoeding wegens onrechtmatige daad veroorzaakt door wateroverlast op zijn akkerbouwpercelen. Het geschil is in eerste aanleg behandeld door de rechtbank Rotterdam, die op 24 mei 2006 en 10 januari 2007 vonnissen heeft gewezen. Vervolgens heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage op 10 februari 2009 arrest gewezen, waarin het oordeel van de rechtbank werd bevestigd.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, gevestigd te Rotterdam, trad op als verweerder in cassatie. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, bevestigt daarmee de eerdere beslissingen en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Van Schendel, Streefkerk en uitgesproken door Hammerstein op 26 november 2010.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof, waardoor de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

26 november 2010
Eerste Kamer
09/01902
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaten: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. L.C. Dufour.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en het Hoogheemraadschap.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 217242/HA ZA 04-1463 van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2006 en 10 januari 2007;
b. het arrest in de zaak 105.006.269/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 februari 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Hoogheemraadschap heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere
motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Hoogheemraadschap begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 november 2010.