ECLI:NL:HR:2010:BN1400
Hoge Raad
- Cassatie
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gerechtvaardigd vertrouwen bij bekrachtiging leaseovereenkomst
In deze zaak stond de vraag centraal of eiser, handelend onder een handelsnaam, contractspartij was bij een operational leaseovereenkomst voor een BMW 530d Sedan, of dat slechts zijn broer als gebruiker en betrokkene partij was. De leaseovereenkomst was gesloten met de handelsnaam van eiser, maar eiser betwistte dat hij contractspartij was en stelde dat alleen zijn broer dat was. De kantonrechter en het gerechtshof wezen de vordering van BMW toe en oordeelden dat eiser door zijn verklaringen en gedragingen, waaronder telefonische contacten en het niet ontkennen van de overeenkomst, gerechtvaardigd vertrouwen bij BMW had gewekt dat hij partij was en de overeenkomst bekrachtigde.
De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht heeft geoordeeld dat, ook als de overeenkomst onbevoegd door de broer was gesloten, eiser door zijn gedragingen de overeenkomst heeft bekrachtigd in de zin van art. 3:35 en Pro 3:69 BW. Het hof heeft het oordeel voldoende gemotiveerd en de cassatieklachten faalden. Het beroep werd verworpen en eiser werd in de kosten veroordeeld.
Deze uitspraak bevestigt dat gerechtvaardigd vertrouwen en bekrachtiging door gedragingen een belangrijke rol spelen bij de vaststelling van contractspartijschap, ook indien de ondertekening onbevoegd was verricht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat eiser de leaseovereenkomst heeft bekrachtigd en als contractspartij aansprakelijk is.