ECLI:NL:HR:2010:BM3368
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel en verjaring bij soortgelijke feiten
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof het voordeel schatte op €2.800,00. Betrokkene had gedurende tien jaar putters verkocht, waarbij het hof rekening hield met de verjaringstermijn van strafvordering zoals neergelegd in het Wetboek van Strafrecht. Het hof oordeelde dat ontneming niet mogelijk was voor voordeel verkregen uit feiten die langer dan zes jaar voor de dagvaarding waren gepleegd.
De Hoge Raad stelde vast dat betrokkene niet-ontvankelijk was in het cassatieberoep omdat geen middelen van cassatie waren ingediend binnen de wettelijke termijn. Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat de opvatting van het hof dat ontneming niet mogelijk is indien vervolging wegens verjaring niet meer mogelijk is, onjuist is. Deze opvatting vindt geen steun in de wetsgeschiedenis of tekst, conform eerdere jurisprudentie.
De zaak werd vernietigd en terugverwezen naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van verjaring op ontnemingsvorderingen en bevestigt dat ontneming kan plaatsvinden ondanks verjaring van strafvordering voor soortgelijke feiten.
Uitkomst: Betrokkene werd niet-ontvankelijk verklaard in cassatie; het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.