ECLI:NL:HR:2010:BL7967
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Betaling meerwaardeclausule bij verkoop melkquotum niet aftrekbaar volgens geruisloze doorschuiving
Belanghebbende exploiteerde samen met zijn vader een melkveehouderij in maatschapsverband en nam in 1991 het aandeel van zijn vader over, inclusief een melkquotum. Voor deze overdracht werd geruisloze doorschuiving toegepast op grond van artikel 17 Wet Pro IB 1964, hetgeen door de Inspecteur werd gehonoreerd.
In 2002 verkocht belanghebbende het melkquotum en betaalde een bedrag van €187.211 aan zijn broers op grond van een overeengekomen meerwaardeclausule. De Inspecteur handhaafde de aanslag inkomstenbelasting over 2002, waarbij de betaling niet als aftrekpost werd erkend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en het Hof bevestigde dit oordeel, verwijzend naar een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2004. Volgens het Hof moest belanghebbende afrekenen over de doorgeschoven overdrachtswinst van zijn vader en was de betaling aan de broers niet aftrekbaar omdat deze geheel betrekking had op de waardeaangroei bij de vader.
Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte niet had geoordeeld op grond van artikel 17 Wet Pro IB 1964, maar op een resolutie van de Staatssecretaris. De Hoge Raad verwierp deze klacht, bevestigde het oordeel van het Hof en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en sprak het arrest uit op 19 maart 2010.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de betaling uit hoofde van de meerwaardeclausule niet aftrekbaar is.