ECLI:NL:HR:2010:BL5550
Hoge Raad
- Cassatie
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat tussenhoudstervennootschap materiële onderneming drijft voor liquidatieverlies deelneming
Belanghebbende, een vennootschap opgericht in 1984, was onderdeel van een groep die onroerend goed ontwikkelde en exploiteerde in Noord-Amerika. De groep besloot begin jaren tachtig een vijfsterrenhotel te verkopen, waarbij aandelen in de betrokken vennootschap (CC) via belanghebbende werden overgedragen en uiteindelijk verkocht aan een derde partij. Na de overdracht werd in belanghebbende geen materiële onderneming meer uitgeoefend.
In geschil was of belanghebbende een materiële onderneming dreef in de zin van artikel 20, lid 5, Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waardoor een liquidatieverlies op een deelneming in aanmerking kon worden genomen. Het hof oordeelde dat de activiteiten van de groep gezamenlijk als onderneming moesten worden beschouwd en dat belanghebbende een wezenlijke functie vervulde binnen die onderneming.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Het hof had terecht geoordeeld dat belanghebbende een materiële onderneming dreef, omdat zij ten dienste stond van de bedrijfsuitoefening van de groep. Ook het oordeel dat het risico van het hotel via de aandelen in CC bij belanghebbende kwam, werd niet onbegrijpelijk geacht. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende een materiële onderneming dreef waardoor liquidatieverlies deelneming in aanmerking komt.