ECLI:NL:HR:2010:BK8085

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02574
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek betaling kinderalimentatie door vader

De moeder en dochter hebben bij de rechtbank Dordrecht verzocht om de vader te verplichten een bijdrage te betalen voor de kosten van verzorging, opvoeding, levensonderhoud en studie van de dochter vanaf 1 februari 2002. De rechtbank wees dit verzoek bij eindbeschikking af. Hiertegen stelden zij hoger beroep in bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat de beschikking van de rechtbank bekrachtigde en het meer of anders verzochte afwees.

Vervolgens werd beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De vader heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was gericht op verwerping van het beroep met toepassing van artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

Deze beslissing werd gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Van Schendel en Streefkerk en in het openbaar uitgesproken door Van Schendel op 19 februari 2010.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot kinderalimentatie afgewezen.

Uitspraak

19 februari 2010
Eerste Kamer
09/02574
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [De moeder],
wonende te [woonplaats],
2. [De dochter],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder, de dochter en de vader.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 22 november 2004 ter griffie van de rechtbank Dordrecht ingekomen verzoekschrift hebben de moeder en de dochter zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, te bepalen dat de vader met ingang van 1 februari 2002 ten behoeve van de dochter een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, dan wel levensonderhoud en studie dient te betalen van € 385,-- per maand.
De vader heeft de verzoeken bestreden.
Na een tussenbeschikking van 19 april 2006 heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 21 februari 2007 de verzoeken van de moeder en dochter afgewezen.
Tegen de eindbeschikking hebben de moeder en dochter hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 1 april 2009 heeft het hof de beschikking van de rechtbank, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd en het meer of anders verzochte in hoger beroep afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof hebben de moeder en dochter beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 19 februari 2010.