ECLI:NL:PHR:2010:BK8085

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02574
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:395a BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot betaling kinderalimentatie voor studiekosten na meerderjarigheid

Deze zaak betreft het verzoek van een moeder en haar dochter om de vader te verplichten vanaf 1 februari 2002 een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging, opvoeding, levensonderhoud en studie van de dochter, die in 1984 is geboren.

De rechtbank Dordrecht wees de verzoeken af, waarbij zij onderscheid maakte tussen de periode tot de meerderjarigheid van de dochter en de periode daarna tot haar 21e verjaardag. Voor de eerste periode werd het verzoek afgewezen wegens onvoldoende aangetoonde behoefte, aangezien de dochter geen studie volgde. Voor de tweede periode werd het verzoek afgewezen omdat de dochter geen concrete studieplannen aannemelijk had gemaakt.

Het hof te 's-Gravenhage bekrachtigde deze afwijzing en oordeelde dat het verzoek alleen kan worden toegewezen indien de dochter behoefte heeft aan een bijdrage. Het hof vond dat die behoefte onvoldoende was aangetoond. Het cassatiemiddel klaagde onder meer dat een bijdrage in studiekosten zonder meer toewijsbaar zou zijn en dat het feit dat de dochter bij haar moeder woonde niet aan de toewijsbaarheid afdoet.

De Procureur-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep, stellende dat het middel niet tot cassatie kan leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verwierp het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.

Uitkomst: Het verzoek tot bijdrage in kinderalimentatie voor de studiekosten is afgewezen wegens onvoldoende aangetoonde behoefte.

Conclusie

09/02574
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Parket 31 december 2009
Conclusie inzake
1. [De moeder]
2. [De dochter]
tegen
[De vader]
Inleiding
1. De onderhavige zaak komt in aanmerking voor een verkorte conclusie nu de in het cassatiemiddel tegen de bestreden beschikking aangevoerde klachten naar mijn oordeel niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
2. Deze zaak betreft het verzoek van thans verzoekster tot cassatie sub 1, verder: de moeder, en thans verzoekster tot cassatie sub 2, verder: de dochter, te bepalen dat thans verweerder in cassatie, verder: de vader, met ingang van 1 februari 2002 ten behoeve van de dochter (geboren op [geboortedatum] 1984) een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dan wel van levensonderhoud en studie dient te betalen van € 385,- per maand. Het inleidend verzoekschrift is op 22 november 2004 ingekomen ter griffie van de rechtbank te Dordrecht.
De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder en de dochter afgewezen bij eindbeschikking van 21 februari 2007. Zij heeft daarbij een onderscheid gemaakt tussen het verzoek dat ziet op de periode van 1 februari 2002 tot 12 oktober 2002, (de dag waarop de dochter meerderjarig is geworden) en het verzoek dat ziet op de periode van 12 oktober 2002 tot 12 oktober 2005 (de dag waarop de dochter 21 jaar werd). Het verzoek dat ziet op eerstgenoemde periode (een verzoek tot het alsnog vaststellen van kinderalimentatie voor de inmiddels reeds meerderjarig geworden dochter) heeft de rechtbank afgewezen op de grond dat de moeder de behoefte van de dochter onvoldoende heeft aangetoond. Het verzoek dat ziet op de tweede periode (een op art. 1:395a BW gegrond verzoek) heeft de rechtbank afgewezen op de grond dat de dochter onvoldoende heeft aangetoond dat zij behoefte had aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, in welk verband de rechtbank overwoog dat zij voor de periode vóór september 2005 geen concrete studieplannen aannemelijk heeft gemaakt en dat het enkele verzoek aan haar vader om een bijdrage in de studiekosten daartoe onvoldoende is.
Het hof te 's-Gravenhage heeft de beschikking van de rechtbank bij eindbeschikking van 1 april 2009 bekrachtigd voor zover aan zijn oordeel onderworpen. Het hof heeft - in rechtsoverweging 6 - met betrekking tot de periode van 1 februari 2002 tot 12 oktober 2002 overwogen dat de dochter stelt dat zij in deze periode een studie had willen volgen, doch dat de rechtbank bij het vaststellen van de behoefte van de dochter terecht is uitgegaan van de feitelijke situatie, te weten de situatie dat de dochter geen studie volgde. Met betrekking tot de periode van 12 oktober 2002 tot 12 oktober 2005 heeft het hof - in rechtsoverweging 9 - overwogen dat het de visie van de rechtbank deelt en dat het de motivering van de rechtbank tot de zijne maakt.
3. De moeder en de dochter hebben tijdig cassatieberoep ingesteld. De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
Het cassatiemiddel
4. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof in de rechtsoverwegingen 6 en 9 van de bestreden beschikking (in samenhang met de rechtsoverwegingen 11 en 12 en de vervolgens gegeven beslissing) rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Het middel voert daartoe aan dat om een bijdrage in studiekosten (voor het volgen van een kappersopleiding) is verzocht en dat een dergelijke voorziening zonder meer toewijsbaar is, dat de enkele omstandigheid dat de dochter destijds bij haar moeder inwoonde aan de toewijsbaarheid van het verzoek niet afdoet, dat deze omstandigheid hoogstens van invloed kan zijn op de hoogte van de bijdrage en dat de omstandigheid dat de dochter destijds geen studie heeft gevolgd rechtstreeks daarmee samenhangt dat door de vader geen bijdrage is verstrekt, dat rechtbank en hof komen met een achteraf-beschouwing in een situatie dat moeder en dochter een vooraf-beschouwing stelden, dat art. 1:395a lid 1 BW een positieve verplichting formuleert, dat de gedane verzoeken - eerst vanuit de moeder in 2002 en vervolgens vanuit de moeder en de dochter in november 2004 - tijdig zijn gedaan en dat de aanspraak op een bijdrage geldt ongeacht behoeftigheid.
5. Het middel faalt met zijn betoog dat een verzoek om een bijdrage in studiekosten "zonder meer" toewijsbaar is. Het hof heeft zowel voor de periode van 12 februari 2002 tot 12 oktober 2002 waarin het gaat om het in 2004 ingediende verzoek om alsnog een bijdrage vast te stellen in kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dochter (geboren uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader), als voor de periode van 12 oktober 2002 tot 12 oktober 2005 waarin het gaat om het - bij hetzelfde verzoekschrift - ingediende verzoek tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige dochter, terecht tot uitgangspunt genomen dat het verzoek van de moeder en de dochter slechts kan worden toegewezen indien en voor zover de dochter behoefte had aan een bijdrage. Het hof heeft evenals de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat daarvan sprake is geweest. Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank voor eerstgenoemde periode terecht is uitgegaan van de feitelijke situatie, te weten de situatie dat de dochter geen studie volgde. Het heeft het oordeel van de rechtbank dat de dochter onvoldoende heeft aangetoond dat zij met betrekking tot de periode van haar jongmeerderjarigheid behoefte had aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie tot de zijne gemaakt. Door op deze gronden te oordelen dat de verzoeken van de moeder en van de dochter niet toewijsbaar zijn, heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 's Hofs oordeel dat de behoefte van de dochter onvoldoende aannemelijk is gemaakt, is niet onbegrijpelijk.
Het middel mist feitelijke grondslag voor zover het wil betogen dat het hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de dochter destijds bij haar moeder inwoonde, aan de toewijsbaarheid van het verzoek afdoet. Hetzelfde geldt voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat in cassatie als vaststaand moet worden aangenomen dat het feit dat de dochter destijds geen studie heeft gevolgd rechtstreeks daarmee samenhangt dat door de vader geen bijdrage is verstrekt. Het middel mist ook feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat de verzoeken van de moeder en de dochter niet tijdig zijn gedaan (waarbij aantekening verdient dat het middel bovendien kennelijk eraan voorbijziet dat het in de onderhavige procedure gaat om het in november 2004 ingediende verzoekschrift). Het zelfde geldt voor zover het middel klaagt dat het hof de alimentatieverzoeken heeft afgewezen in verband met gebrek aan behoeftigheid; het hof heeft immers beoordeeld of aannemelijk was gemaakt dat sprake was van behoefte. De klacht dat het hof komt met een achteraf-beschouwing, ziet eraan voorbij dat het hof had te beoordelen en ook heeft beoordeeld of aan de zijde van de dochter in de perioden waarover alimentatie werd verzocht, behoefte bestond aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk in de kosten van levensonderhoud en studie, en dat een beoordeling van de behoefte van de dochter achteraf onvermijdelijk is waar het gaat om een verzoek tot het vaststellen van een alimentatiebijdrage over een periode die reeds is verstreken.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
plv. P-G