ECLI:NL:HR:2010:BK7052
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering van het bedrag bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de redelijke termijn niet was overschreden, terwijl het beroep in hoger beroep ruim meer dan twee jaar duurde.
De Hoge Raad overwoog dat in ontnemingszaken specifieke omstandigheden kunnen meebrengen dat een termijn van meer dan twee jaar niet per definitie een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. Het hof had de enkele, niet toegelichte opmerking van de raadsman over de redelijke termijn dan ook niet hoeven honoreren. Wel stelde de Hoge Raad vast dat in de cassatiefase zelf de redelijke termijn was overschreden, omdat het hof de stukken te laat had ingezonden en de cassatieprocedure meer dan twee jaar duurde.
Hierdoor werd het opgelegde bedrag van € 180.136,- verminderd tot € 175.136,-. De overige middelen van cassatie werden verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het belang van een zorgvuldige motivering bij overschrijding van de redelijke termijn en de toepassing daarvan in ontnemingszaken.
Uitkomst: Het terug te betalen bedrag bij ontneming wordt verminderd tot € 175.136,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.